Verhoging AOW-leeftijd niet in strijd met EVRM

Een man, geboren in 1958, vraagt een AOW-pensioen aan vanaf zijn 65ste verjaardag. De Svb wijst dit af, omdat de man de pensioengerechtigde leeftijd pas op zijn 67ste verjaardag in 2025 bereikt, conform de verhoging van de AOW-leeftijd. De man stelt dat deze verhoging in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom, zoals vastgelegd in het EVRM en de Grondwet. Hij meent dat er geen legitieme redenen zijn voor deze inmenging, aangezien hij premie betaalde met het vooruitzicht op AOW vanaf 65 jaar.

Inmenging in het eigendomsrecht

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de wettelijke verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, ingevoerd op 1 januari 2013, een inmenging is in het eigendomsrecht. Deze inmenging wordt echter in het algemeen proportioneel geacht en leidt in de regel niet tot schending van het EVRM. De Raad kan de regeling niet toetsen aan de Grondwet. De man heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van een onevenredig zware last. Interen op spaargeld of vervroegde pensioenopname, hoewel financieel nadelig, zijn geen zodanig bijzondere omstandigheden. De man leefde bovendien niet onder het sociaal minimum en had voldoende vermogen, waardoor hij niet in aanmerking kwam voor een overbruggingsuitkering. De afwijzing van de aanvraag om een AOW-pensioen vanaf de 65ste verjaardag blijft in stand, omdat de man de pensioengerechtigde leeftijd nog niet had bereikt.

Bron:Centrale Raad van Beroep | jurisprudentie | ECLI:NL:CRVB:2026:815 | 17-06-2026